Nonchalant alcoholisme

Het gebeurde toen ik met vriendin Louise op de Mercato di Sant Ambrogio was. We liepen om kwart over elf langs een borrelende menigte. “Zullen we een Campari spritz nemen?” Vroeg ze optimistisch. Ik realiseerde me dat ik het niet eens vreemd vond. Sterker nog, dat ik er trek in had. Mijn lichaam en geest snakten naar een glas vol bittere, met ijs rinkelende en naar sinaasappel geurende euforie. Een vraag die al langer knaagde dreef wederom naar de oppervlakte: werd ik langzaam alcoholist of woonde ik gewoon in Italië?

Zonder de realiteit terdege in acht te nemen heb ik alcohol in mijn leven eerder als bondgenoot dan als vijand gezien. Oké op de dagen van de catastrofale katers na. Maar in Italië brengen ze die ideologie naar een ander level. In mijn koffiebar kijkt niemand vreemd op als er om negen uur bij de koffie een kleine alcoholische versnapering wordt besteld. Soms wordt er zelfs iets angstaanjagend helders (wodka?) ín de koffie geschonken. In de espresso dus. Mijn maag keerde al om bij het zien ervan.

Eerder schrok ik niet zo van het nonchalante drankgebruik. Ik vond het wel gezellig. Wijn bij de lunch, wijn bij een broodje, elke dag aperitivo, Chianti bij het eten. In Florence drinken ze het hele jaar door rood. Niet alleen in de seizoenen van haardvuur, kaarsen en toetjes. Nee, bij elke temperatuur. De volgende dag weer wijn bij de lunch en ga zo maar door. Dit was het toch? La Dolce Vita?

Mensen wippen vaak zelf ook gewoon even langs in een bar, drinken dan al barhangend een glas van het een of het ander en vertrekken weer. Als een soort tankstation. Solo drinken is hier de normaalste zaak van de wereld.

Zo was ik een keer in mijn lunchpauze koffie aan het drinken in een barretje in Zuid Florence toen de tachtigjarige meneer achter de bar me vol bemoedigende handgebaren een glas Amaro del Capo aanbood. Een ontzettend smerig soort kruidenbitter. In het Zuiden van Italië was dat me al een keer aangeboden toen ik tijdens de zondagslunch bij Martina’s familie bijna was gestorven aan indigestie. De drankkast werd met urgentie opengetrokken. Het bittere schijnt het zakken van het eten te stimuleren. Het resultaat was echter dat ik niet alleen overvol maar ook nog misselijk en met een tollend hoofd op de bank lag de daarop volgende drie uur.

Ik realiseerde me ineens dat dit land best ingewikkeld kan zijn voor mensen met weinig zelfcontrole. Er zijn namelijk geen regels. Christiania is er niks bij. Je eet, je drinkt, je rookt, je doet wat je wilt, wanneer je het wilt. De mogelijkheden zijn eindeloos. En ik classificeerde het nonchalante alcoholisme in mijn hoofd eigenlijk nog als iets romantisch ook. Dus nee, dit moest anders. Ik maakte wel wat regels voor mezelf. Werkt dat? Nee hoor, dat werkt niet.

Dus nu bestel ik elke dag wat wodka bij mijn ochtend espresso. Nee, zo erg is het nog niet. Wat ik wel als een verschil zie is dat men hier vaker drinkt, maar minder. Laveloos worden is niet echt het doel, zoals het in Nederland wel vaak is. Nou ja, zo lijkt het tenminste. Alcohol heeft meer een soort begeleidende rol. Bij het eten bijvoorbeeld. Of in het leven. En eten is leven. Dus zoiets zal het zijn. Denk ik dat het goed is? Absoluut niet. Denk ik dat het nonchalante alcoholisme ooit zal veranderen in Italië? Absoluut niet. Daar zijn ze geen fan van, verandering. Van alcohol daarentegen wel.

Previous
Previous

Eiland Hotel

Next
Next

Badjas-haven