Verloedering van een instituut

Heel soms, wanneer ik denk dat het er rustig is, steek ik de Arno over en trakteer ik mezelf op ontbijt bij Gilli Caffè. Gilli is een instituut in Florence. Het bestaat sinds 1733 en is beeldschoon: hoge plafonds, donker hout, marmer, goud en een soort negentiende-eeuwse elegantie. Achter glas is een knap assortiment aan pasticceria, taartjes en chocola te vinden. Ik sluit niet uit dat onder het kopje “vereisten” voor het personeel achter de bar ‘’stereotype knappe Italiaanse man’’ geschreven staat. Afgelopen week realiseerde ik me terwijl ik aan mijn cappuccino nipte dat ik me in een museum van Italiaanse verloedering bevond.

Dat Italië drijft op toerisme is geen verrassing. De stad Florence, zoals veel andere plekken in Italië, had het erg zwaar tijdens de lockdown. De hele stad kwam perplex tot stilstand en keek verbijsterd om zich heen. Naast toerisme bleef er bar weinig over.

Waar ik me over blijf verbazen is dat een van de meest authentieke volkeren op aarde hun eigen stereo getypeerde imago dusdanig heeft uitgerekt en overdreven dat ze er zelf misselijk van worden. Het vervelendste is nog wel, dat Italianen helemaal niet van toeristen houden. Door lage werkgelegenheid en slechte economische omstandigheden is toerisme een wurgcontract geworden dat steeds strakker om de nek van de Italianen is gaan zitten.

Neem Gilli, waar de arme, bijna door de hitte bezweken toerist met reusachtige rugzakken en even grote gympen paniekerig om zich heen kijkt waar te bestellen. Er worden donuts besteld, iced latte’s gevraagd, verward gereageerd op de vraag of men wil staan of zitten (bij zitten betaal je meer) en kleine bedragen worden afgerekend met creditcards. Het is niet zo zeer dat de medewerkers onaardig zijn, maar je voelt de irritatie. Naast mij staat een stel te genieten van de -hier in geen enkel opzicht authentieke- Italiaanse experience: staand ontbijten aan de bar. Ze zijn duidelijk moe, klokken in een zee van zonnehoeden, verbrande schouders en fenny packs de koffie naar achter en verdwijnen met het slecht gegokte Spaanse ‘’gracias’’. Wat ze niet weten is dat je een authentiekere Italiaanse ervaring vindt bij het lelijke barretje om de hoek, waar vuilnismannen- en vrouwen staan te ontbijten. Maar dat zegt niemand tegen ze, want daar zitten ze al helemaal niet op toeristen te wachten.

Het is niet voor niks dat ik soms het idee heb dat alles wat ik over Italië schrijf een aaneenschakeling van uitgekauwde clichés is. Deels komt dat denk ik doordat er dusdanig weinig vernieuwing in de cultuur zit dat rumineren de enige optie lijkt te zijn. Op veel sociaal-culturele vlakken is dat absoluut afschuwelijk. Eenkennigheid is een nette manier om te omschrijven hoe er hier vaak op de wereldse verscheidenheid gereageerd wordt. Maar er zit ook schoonheid in de stilstand. Ergens is het mooi dat er een land bestaat waar dingen hetzelfde blijven. Dat het gewoon is wat het is. Een beeldschone teringzooi. Dat ervaar je pas echt als je door het voor toeristen gepolijste laagje schoonheid heen prikt.

Previous
Previous

Badjas-haven

Next
Next

Warm Welkom